Claude Piron

Esperanto, Gods werk?


Wie probeert op te klimmen, richting God, komt onderweg allerlei voorspiegelingen en bekoringen tegen. Gelukkig bestaan er criteria in overvloed om iets goddelijks te onderscheiden van een verlokking, van iets bedrieglijks wat afleidt of op de verkeerde weg zet. Wat van God komt, zal nooit alleen maar stoffelijk zijn. Het zal streven naar liefde, respect, onderlinge verstandhouding. Het zal niet iets zijn voor snobs en machtigen, maar aan de nederigen zal het diepe vreugde bezorgen. Het zal zich meer richten naar het zijn dan naar het hebben. Zijn uitstraling zal van binnenin komen, aan het uiterlijke zal het geen belang hechten. Het zal feilloos streng zijn, konsekwent zonder uitzonderingen en toch een sfeer van zachtmoedigheid brengen. Het zal hindernissen en vijanden overwinnen zonder zelf ooit geweld of druk te gebruiken. Het zal eenvoudig zijn en nederig. Het zal sterk staan op zijn terrein. Het zal nooit een gemakkelijkheidsoplossing zijn en beslist inspanning vragen.


Oorsprong en groei


Esperanto beantwoordt aan die criteria. Het ontstond uit het leed van een kind, oorzaak van dat leed was de haat en de onverdraagzaamheid, die heerste tussen de vier etnische groepen, die in de jaren 1860 Byalistok bevolkten: Polen, Joden, Russen en Duitsers. Vier talen, vier alfabetten, vier strijdlustige gevoelens van meerwaarde, vier religies, vier bronnen van vijandigheid verscheurden de ziel van de jonge Zamenhof, en uit dat leed groeide bij hem inspiratie.


Zijn doel: iets vinden waardoor de gescheiden cultuurgemeenschappen met elkaar zouden kunnen communiceren zonder hun eigenheid, hun taal of hun waardigheid te moeten prijsgeven. De oplossing: een brugtaal, zo goed aan de psychoneurologische wetten van spontane uitdrukking aangepast, dat ze tegelijk veel eenvoudiger en veel rijker zal zijn dan de etnische talen. Zijn geniaal idee: aan het mensdom niet direct een pasklare taal voorstellen, maar een embryo, iets dat bedoeld is om natuurlijk te evolueren onder invloed van het gebruik. Zamenhof lanceert een kiem, weliswaar een zeer levenskrachtige, maar die zal zich enkel kan ontwikkelen tot een sterke plant als ze een een geschikte grond vindt om haar te voeden met zijn inhoud. Nederig als hij is, heeft hij vertrouwen in het leven en stelt zich voor als doktoro Esperanto, “een dokter die hoopt”.


Vanuit menselijk oogpunt heeft de Internacia Lingvo de D-ro Esperanto “Internationale taal van Dr Esperanto” geen enkele kans op slagen. Alle uitgevers weigeren de eerste brochure, de auteur moet ze zelf op eigen kosten uitgeven. Hij is arm en onbekend, hij leeft in een provinciestadje op het platteland in een tijd (1887) dat Parijs de maat slaat. De intelligentsia verklaart zijn project belachelijk zonder het zelfs maar een blik te gunnen. Geen enkele staat steunt de taal, geen enkele politieke beweging, geen commerciële organisatie, geen prestigieuse wetenschappelijke of literaire academie, geen enkele financiele bron. Het brengt aan niemand winst op. De taal werd herhaaldelijk verboden en haar gebruikers vervolgd (door de tsaar, door Stalin, door Hitler, door Salazar, door Kim Il Sung, ...). Tegenover de Goliat, het Frans in 1900 en het Engels in 2000, wat had die arme kleine David kunnen uithalen, hij, die het gebruik van geweld voor altijd afgezworen had?


Toch vond de kiem een geschikte bodem om te groeien en te rijpen. Reeds in de gebruikerslijsten van 1902 vindt men adressen in IJsland, China, Brazilië, Turkije, Mongolië, Madagascar (ene mijnheer Ravelojaona: niet-Europeaan) en in veel andere landen, hoewel niemand begrijpt hoe die verbreiding zo snel kon verlopen. Door het gebruik werd het embryonale communicatiemiddel een levende taal, die stilaan een cultuur deed ontstaan met dichters, historici, liederen, tradities, enz. Met de discretie, eigen aan elk spiritueel werk, zonder zich zorgen te maken over de ironie van de bombasten, overdekte het de wereld met een weinig zichtbaar, maar des te sterker net van vriendschap, solidariteit en een concreet ideaal. Dat net breidde zich gedurig uit. Zijn weliswaar trage maar constante groei getuigt er van dat Esperanto aan een nood voldoet. Zeker, het gaat deels over een verzuchting naar taalvrijheid en taalcreativiteit. Maar gaat het ook niet over de verzuchting om de Andere te ontmoeten in volle ongeremdheid? Wie zegt dat het verlangen om zich op gelijke voet te voelen met wie van elders komt, niet sterker is dan wat taalkundigen, politiekers en verkopers van het Engels proberen voor te stellen?


Striktheid en vrijheid


In Esperanto voelt men zich goed, want men is vrij: de aandacht gaat naar dat, wat men wil zeggen en niet, zoals in andere talen, naar complicaties in de vorm. Dat Esperanto de willekeurige dwang afschudt, die de vlotte uitdrukking in andere talen gedurig hindert, dat komt door de absolute striktheid van zijn enkele regels. Men twijfelt nooit aan de uitpsraak. Men maakt nooit een fout over het meervoud, over de klemtoon of de verbuiging. Men sukkelt nooit met de afleiding van een woord uit een ander. Uitzonderingen bestaan er niet. Die zekerheid brengt een ongeëvenaard gevoel van veiligheid mee. Esperanto overstijgt daarmee de tegenstelling tussen striktheid en vrijheid. Zo overstijgt het ook de tegenstelling tussen rede en gevoel. Het is beslist de nimmer falende coherentie van de taal, haar rationaliteit, die de factor is die het voor een Esperantospreker mogelijk maakt zijn gevoelens heel spontaan en genuanceerd uit te drukken. Er is een enorm kontrast met andere intercultureel gebruikte talen, waar de vele grammaticale uitzonderingen en de lexicale absurditeiten een vlot verloop van de verwoording hinderen.


Sfeer en manier van denken


De bijeenkomsten die in Esperanto verlopen worden over het algemeen gekenmerkt door een warme en vrolijke sfeer, waarbij men een indruk ervaart van aanvaarding, van lidmaatschap van een wereldwijde broederschap, van eerbied voor de andere zoals hij is. Dit gevoel van ontmoeting op diepgaand niveau tussen personen van zeer verschillende oorsprong is eigen aan de wereld van het Esperanto. In iedere andere interculturele onmoeting sluit de keuze van een geprivilegieerde taal voor velen de deur, isoleert een deel van de aanwezigen en installeert tussen allen de filter van een of andere cultuur, die een directe, ongehinderde dialoog van ziel tot ziel verlamt.


Omdat de praktijk van Esperanto bevrijdt van de ras-of klassegerichte conditionnering, geschapen door de nationale of sociale omgeving, brengt dat een specifiek menselijke kijk op het bestaan, die nergens anders te vinden is. Paradoxaal, laat dat ook beter toe de plaatselijke wortels te waarderen, de individuele belichaming en bepaalde coordinaten van ruimte en tijd, terwijl het de meer- en minderwaardigheidsgevoelens laat verdwijnen, die zo vaak vast zitten aan een etnische of sociale identiteit. Wereldwijd is Esperanto de taal, waarin de meeste liederen vertaald worden. Dit intense vertaalwerk wordt verklaard door twee feiten: mensen houden van hun cultuur en die liefde wordt van nature uitgestraald. Mensen van van een gegeven plaats houden er van hun plaatselijke cultuur bekend te maken en ze te delen met mensen van elders.


Natuurlijk werking


Zoals elke andere taal is Esperanto een vrucht van de menselijke creativiteit. Uit psychologisch oogpunt is ze natuurlijker dan de meerderheid van de talen. Het feit, dat het in het Nederlands verkeerd is te zeggen “ik valde, ik zoekte, ik heb geslaapt, ik ben geneesd ", of in het Frans, si j'aurais ("indien ik zou hebben", moet zijn: si j'avais) of les chevals ("de paarden", in plaats van les chevaux) heeft niets te maken met natuur: alle kinderen gebruiken in het begin heel spontaan deze vormen. Hetzelfde kan men zeggen van een anderstalige, die in het Engels zegt I hardly worked als hij bedoelt "ik werkte met moeite, met krachtinspanning", terwijl hij in feite zegt "ik heb nauwelijks gewerkt": hij vormt een bijwoord volgens de reflex, die de Natuur in zijn verstand ingebouwd heeft. Hetzelfde doen heel veel niet-Franstaligen, die zeggen irrésolvable ("onoplosbaar") in plaats van insoluble. Ze doen niets anders dan het programma toepassen, dat Dame Natuur in de menselijke hersenen geschreven heeft. In het Engels, in het Frans, leidt deze natuurlijke beweging tot een fout; in Esperanto levert het de juiste vorm: peni > pene ; ne eblas solvi > ne-solv-ebla.


Het feit dat een tweetalig Esperanto/ Frans kind van vier jaar correct Esperanto spreekt terwijl zijn Frans nog vol fouten zit, bewijst duidelijk dat een taal, die zich ontwikkeld heeft op basis van het project van Zamenhof, niets tegennatuurlijks heeft, in tegenstelling met de zo vaak herhaalde laster. Hoe zou het anders te verklaren zijn dat een gemiddelde volwassene na zes maand een taalbekwaamheid bereikt die in een andere taal slechts na zes jaar studie komt, tenzij omdat die taal zeer dicht de natuurlijke wetten van de verwoording van de gedachten volgt? Welke kritiek de tegenstanders er ook mogen over hebben: Esperanto is een natuurlijke taal.


Besluit


Het verhaal van Babel toont ons het uiteenvallen van het mensdom in vijandige groepen, die verder van elkaar geïsoleerd worden. In kontrast daarmee, stelt het Esperanto, zoals men het tegenwoordig kan beleven, een gemakkelijke, aangename, vreugdegevende doorgang aanbiedt doorheen de wallen, waarachter de volkeren zich teruggetrokken hebben. Jongeren, kinderen, vrouwen, mannen, eenvoudige handarbeiders, universitairen (de Esperantobevolking telt een tiental Nobelprijswinnaars) bewaren hun eigenheid en hun afkomst terwijl ze dialogeren op bijzonder diep niveau in bijeenkomsten, waar nooit iemand aan een andere zijn taal, dus zijn manier van denken, wil opdringen, zodat in die wereld niemand zich ooit vreemdeling voelt.


Het is tekenend dat negatieve oordelen over Esperanto alleen maar uitgesproken worden door personen die het niet uit eigen ervaring kennen. De spirituele rijkdom, die de toegang tot Esperanto met zich meebrengt voor mensen met een andere cultuur vereist realisme en nederigheid. Realiteitszin: alleen realisten weten, dat men geen enkele vreemde taal kan gebruiken op het niveau van perfekte beheersing van gevoel voor nuances, wat nodig is als men een menselijk ontmoeting van hart tot hart wil ervaren in de ware betekenis van het woord. Nederigheid: zolang men zijn vooroordelen niet opgeeft en de pretentie, die het menselijke intellect zich aanmatigt, te kunnen oordelen vooraleer kennis genomen te hebben van de feiten, zal men niet genieten van de voorgeschotelde rijkdom: die is maar ter beschikking van hen, die nederig kunnen onderscheiden wat ze niet weten van wat ze wel weten.


Wie het sociolinguistische fenomeen Esperanto uit spiritueel persectief benadert, zal in ieder geval besluiten dat Zamenhof van bovenaf geïnpireerd was, van zeer hoog eigenlijk, en dat diegenen, die op grond van zijn werk bijgedragen hebben tot het smeden van de levendige en kleurrijke taal, die Esperanto nu is, vaak door de Geest werden bezield.


Is het niet eigenaardig dat wegens het toeval van de vrije combinatie van woorddelen, het woord amen in die taal betekent "gericht naar de liefde" (am-, -en), dat dialogo een woordspeling is met dia logo (aanlokken door God), of dat, toen Jezus zei dat hij la vojo, la vero, la vivo “de weg, de waarheid , het leven” is (Jn, 14, 6), dit in Esperanto een formule vormt, waaraan aliteratie en ritme de slagkracht geven van een originele slagzin, waarmee vergeleken de Aramese, Hebreeuwse, Griekse of Latijnse eerder vertalingen lijken?


Claude Piron


(Ik heb de oorspronkelijke Franstalige tekst van de website eerst vertaald in Esperanto. Deze vertaling werd herzien door de auteur. Bovenstaande tekst is de Nederlandstalige versie daarvan.
Ir. Leo De Cooman)