Ajouter cette page à vos sites préférés - Aldonu al viaj preferataj retejoj

CLAUDE PIRON

 

 

 

Accueil
Bonvenon

 

 

Articles et extraits
Artikoloj

 

 

Livres - Nouvelles
Libroj - Noveloj

 

 

Lettres ouvertes
Nefermitaj leteroj

 

 

Audio et vidéo
Vid- kaj aŭdprogramoj

 

 

Bibliographie
Bibliografio

 

 

Liens
Ligiloj

 

 

Contact
Kontakto

 


Onjuiste opvattingen over Esperanto bij sommige taalkundigen

Bij de studie van de diverse aspecten van communicatie over de cultuurgrenzen heen, onder andere het gebruik van Esperanto, zag Claude Piron in, dat professionele taalkundigen over deze taalopvattingen hebben, die niet stroken met de werkelijkheid.

De taalkundigen zijn niet geïnteresseerd aan conventionele talen, die men “internationaal” noemt.

       Dat is een ongegronde veralgemening. Het terrein van de taalkunde is zeer ruim en veel taalkundigen interesseren zich voor deze tak, die interlinguistiek genoemd wordt.

Het idee dat een taal zonder volk, die ooit alleen maar bestond in het brein van één enkele persoon, zou kunnen werken zoals een andere taal, is hopeloos naïef.

       Dat is niet de indruk die men krijgt als men ze in de praktijk bestudeert. In landen als Polen, Hongarije, Finland, Litouwen, Rusland, Japan, China, Oezbekistan en vele andere functioneert Esperanto uitstekend, het blijkt vaak nuttig in kleine steden, waar Engels helemaal niet helpt. Ik ken Amerikanen, die dezelfde ervaring opdeden in Frankrijk. In zulke landen en bijvoorbeeld in Brazilië stelde Esperanto mij in de mogelijkheid elementen uit de plaatselijke bevolking te ontmoeten, waar de meeste vreemdelingen nooit mee in contact komen, en met hen diepgaande discussies te voeren over een hele reeks onderwerpen met veel meer gemak en comfort dan met gelijk welke andere taal. Ik heb nochtans de hele wereld afgereisd als professioneel vertaler. Het idee te communiceren met Esperanto is niet naïever dan dat met elektronische post te doen. Het is een communicatiemiddel dat veel voordeel biedt in vergelijking met andere, en dat niet noodzakelijk in elke familie van de wereld moet bruikbaar zijn, om de kleine investering in tijd en moeite waard te zijn, die het vraagt. Mijn ondervinding is dat de verhouding rendement/kost duidelijk veel gunstiger ligt voor Esperanto dan voor het Engels.

Zulke taal weerspiegelt alleen maar Westers imperialisme.

       Als men de publicaties in Esperanto onderzoekt of als men in die taal contacten heeft, ontdekt men dat dit idee slechts een vooroordeel is. De meerderheid van de Esperantogebruikers heeft de taal vooral geleerd om over een communicatiemiddel te kunnen beschikken, dat onafhankelijk is van elke politieke, economische, ideologische of andere macht, een taal vreemd aan alle machtsverhoudingen. Esperanto is niet in het Westen ontstaan, het is daar niet zeer verspreid en zijn taalkundige eigenschappen maken het zo verschillend van de Westerse talen, dat het zou moeilijk zijn uw idee te verdedigen op grond van een objectieve analyse van de feiten. Het zijn maar de woordstammen (maar niet hun semantische inhoud, die resultaat is van zowat 120 jaar wisselwerking tussen mensen met zeer verschillende moedertalen), die vooral Westers zijn, maar geen enkele ernstige onderzoeker zal zijn oordeel baseren op zulke oppervlakkige trekken. Het lexicon van de meeste van de Antillisch Creoolse talen heeft veel meer Westerse oorsprong dan dat van Esperanto. Als zulk Creools gebruikt wordt voor interculturele uitwisselingen, ziet men daar dan een weerspiegeling van het Westerse imperialisme?

Als men ziet waar Esperanto op gelijkt, beseft men dat zijn maker(s) niets afwist(en) van de structuren van de verschillende andere talen.

       Welke andere talen? Zoals ik aantoonde in mijn artikel "Esperanto: European or Asiatic Language?" ("Esperanto: een Europese of aan Aziatische taal?", Esperanto Documents n° 22, Rotterdam: UEA, 1981), heeft Esperanto meer gemeenschappelijke trekken met isolerende talen dan met agglutinerende of flexieve talen. In Esperanto, zoals in het Chinees, leidt men “mijn” af uit “ik” en “eerste” uit “één” (mi > mia, unu > unua), maar dat bestaat niet in het Turks, noch in het Hongaars, noch in enige Indo-europese taal. In geen enkele Indo-europese taal beschikt men over reeksen zoals samlandano, samrasano, samlingvano, die beantwoorden aan de Chinese woorden tongguo, tongzu, tongyu; om die concepten uit te drukken moet men ofwel woorden gebruiken, die men niet zelf mag maken, zoals compatriote of fellow citizen, ofwel meerdere woorden gebruiken: personne de la même race, personne parlant la même langue. In het Chinees moet men geen apart woord leren om het idee uit te drukken, dat gegeven wordt door het Franse "coreligionnaire", door het Engelse "coreligionist" of door het Nederlandse “geloofsgenoot”, men past het pasklare schema toe: tongjiao; net zoals men in Esperanto vormt: samreligiano. Uit structureel standpunt heeft Esperanto weinig gemeen met de Westerse talen.

Een taal als Esperanto is voor niet-Europeanen niet gemakkelijker dan Frans of Engels.

       Ik was aanwezig bij discussies in Esperanto in Oost Azië tussen Chinezen, Japanners, Vietnamezen en Koreanen in de periode toen ik onderzoek deed over de taal. In het kader van dat onderzoek vroeg ik aan die personen, hoeveel tijd ze er over gedaan hadden om het niveau te bereiken, dat ze hadden in Esperanto. Ik vergeleek de internationale communicatie volgens het gebruik dat gemaakt werd ofwel van enkel Engels, ofwel van simultaanvertaling, ofwel van navertaling, ofwel van Esperanto. Ik stelde dezelfde vraag aan hen, die een andere taal gebruikten. De meerderheid van die Aziaten, die zich moeilijk en met last uitdrukten in een moeilijk te verstaan Engels, hadden ruim 2000 uur besteed aan de studie ervan; zij, die zich in Esperanto uitdrukten hadden dat geleerd in gemiddeld 200 uur. Maar hun taalkennis was duidelijk hoger, volgens eender welk criterium: gemak, nauwkeurigheid, precisie, spontaneïteit, nuancering, humor, enz. Het is duidelijk, uw idee steunt op verkeerde gegevens. (Zie mijn onderzoeksrapport "Espéranto- L'image et la réalité", “Esperanto- Het beeld en de werkelijkheid”, Cours et Études de Linguistique contrastive et appliquée n° 66 , Parijs: Institut de Linguistique appliquée et de didactique des langues, Université de Paris-8, 1987), en mijn boek Le défi des langues “De uitdaging van de talen” (Parijs: L'Harmattan, 1994), bvb. pp 243-254. U vindt kritiek op dit boek in  Language in Society, 26 (1), 143-147, 1997.

Mensen die talen voorstellen zoals Esperanto, geloven steevast in de mythe dat een taal logisch is of kan zijn.

       Neen, Mijnheer. Het is zo, dat het argument “logisch” vaak gebruikt wordt door aanhangers van Esperanto. Maar iedere ernstige taalkundige weet dat een taal niet moet verward worden met het beeld dat zijn sprekers ervan hebben. Hetgeen de goede werking van Esperanto verklaart is zijn gemak van leren, onafhankelijk van de moedertaal; er is een universele neuro-psychologische wet, die het brein elke taaltrek doet veralgemenen, die voordien gevonden werd; die kan gemakkelijk aangetoond worden door studie van de taal van een kind en de fouten van anderstaligen. Dit heeft niets met logica te maken; het is wegens die eigenschap dat Esperanto zoveel aangenamer is in het gebruik dan eender welke Europese taal. In de Westerse talen mag men de structuren niet veralgemenen. De leerling Engels die een schijnbaar regelmatige structuur ontwaart in  farm > farmer ("hofstee" > "boer") kaj report > reporter ("verslag" > "verslaggever") mag dit niet veralgemenen naar  fish > fisher; men zegt fisherman) (“vis” > “visser”) of naar tooth > toother; men zegt dentist (“tand” > “tandarts”). Maar de veralgemening (hier van de achtervoegsels) is een constante van Esperanto: farm > farmisto, raport > raportisto, fiŝ > fiŝisto, dent > dentisto.

       Telkens ik Engels moet spreken vind ik het spijtig, dat die taal, zoals alle andere Westerse talen, dit recht van veralgemening moet missen. De laatste keer dat ik mij moest uitdrukken in uw taal, maakte ik een fout toen ik het werkwoord to cost in de verleden tijd wilde gebruiken, ik zei costed; zo zei ik ook ununderstandable in plaats van incomprehensible, ik sprak indict uit alsof het zou rijmen met derelict, depict, convict, en ik herinnerde me niet meer, waar het woordaccent moet staan in alternative en monitoring. Met andere woorden, in het Engels voel ik mij altijd gehandicapt, nooit zo in Esperanto, omdat in die taal zulke problemen zich nooit stellen: ze worden uitgesloten door de absolute regelmatigheid van zijn systeem, door zijn coherentie, vergelijkbaar met die van het metriek systeem.

De personen die zogenaamde internationale talen voorstellen beweren dat de talen niet evolueren, of tenminste dat men hun evolutie kan in de hand houden.

       - Dat is onjuist. Ik daag u uit mij een document te noemen in de schoot van de Esperantotalige bevolking, dat deze absurde bewering verdedigt. De meeste Esperantogebruikers weten heel goed dat hun taal evolueert door het feit van het gebruik in een soort diaspora, op basis van het project van Zamenhof, waarmee u ze niet moet verwarren. Een vriend, taalkundige, Jouko Lindsted, die directeur is van het departement van Slavische en Baltische talen in de Universiteit van Helsinki, beheert de lijst van internet uitwisselingen "Denask-L", waarvan de meeste leden behoren tot gezinnen, vaak met dubbele nationaliteit, waar Esperanto de dagelijkse taal is en de moedertaal van de kinderen.

       Het volstaat deze uitwisselingen te volgen en hun taal te vergelijken met die van gelijkaardige teksten gepubliceerd vóór de tweede wereldoorlog of met teksten uit de 19de eeuw om zich te overtuigen dat de taal ongetwijfeld nooit opgehouden heeft te evolueren, niet onder druk van enigerlei instantie, maar op natuurlijke manier, zoals elke andere taal, door het feit van haar gebruik. Over dat onderwerp kan u lezen in mijn artikel A few notes on the evolution of Esperanto (Klaus Schubert, réd. Interlinguistics, n° 42 van de reeks Trends in Linguistics, Berlin, New York: Mouton de Gruyter , 1989, pp. 129-142 (een enigszins verschillende versie is te vinden op het internet onder de titel "Evolution is proof of life").

       Voor mij is het evident dat wetenschappelijke, objectieve, rationele onderzoeken even belangrijk zijn als in de andere disciplines. Maar helaas, het lijkt erop dat veel taalkundigen er niet van bewust zijn dat men, vooraleer een oordeel over Esperanto uit te spreken, eerst zijn bandopnemer moet nemen, aanwezig zijn bij ontmoetingen van mensen die deze taal spreken, naar families gaan, van wie dat hun dagelijkse taal is, dat men de opnamen van de gesprekken of discussies moet analyseren en dat men allerlei gepubliceerde of handgeschreven documenten moet analyseren (geschreven correspondentie is zeer interessant uit taalkundig standpunt); met één woord datgene moet doen, wat iedere goede taalkundige zou doen, die geldige uitspraken wenst over een Bantoe- of een Filippijnse taal.

       Het aantal foute beweringen, die men in taalkundige werken vindt over Esperanto is reusachtig; hetzelfde geldt trouwens over het Chinees (zie mijn artikel "Le chinois - Idées reçues et réalité"). Het is des te spijtiger dat de stellers ervan perfect te goeder trouw zijn. Zou hier geen bijzonder interessant sociolinguïstiek fenomeen achter schuilen?

Uitspraken verzameld door Donald Harlow
Vertaald door Ir Leo De Cooman

 

© Claude Piron